Nieuw Art. 1 Statuut

Download This Document (.pdf)



  • Artikel 1

         1. Het Koninkrijk omvat de landen Nederland, Curaçao, Aruba en Sint Maarten.

            2. Bonaire, Sint Eustatius en Saba maken elk deel uit van het Nederlandse staatsbestel. Voor deze eilanden kunnen regels worden gesteld en andere specifieke maatregelen worden getroffen met het oog op de economische en sociale omstandigheden, de grote afstand tot het Europese deel van Nederland, hun insulaire karakter, kleine oppervlakte en bevolkingsomvang, geografische omstandigheden, het klimaat en andere factoren waardoor deze eilanden zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van het Koninkrijk.

     

    Toelichting

    Bonaire, Sint Eustatius en Saba treden toe tot het Nederlandse staatsbestel. De Grondwet wordt van toepassing op deze eilanden. Nederland en de drie eilanden zijn op 11 oktober 2006 overeengekomen dat de eilanden in bestuurlijk opzicht ingericht worden als openbare lichamen in de zin van artikel 134 van de Grondwet.[1] Dit maakt het mogelijk om het bestuur over de eilanden op een effectieve en efficiënte manier te voeren, met inachtneming van hun bijzondere positie binnen het Nederlandse staatsbestel en het feit dat zij zich door hun ligging en tal van andere factoren onderscheiden van het Europese deel van het Koninkrijk. Dit is in het belang van de ontwikkeling van de eilanden. Voor deze eilanden kunnen daarom regels worden gesteld die in meer of mindere mate afwijken van regelgeving die in het Europese deel van het Koninkrijk geldt. Tevens zullen er andere specifiek op de situatie van de eilanden toegesneden maatregelen getroffen moeten worden.

             De opmaat tot de afspraken van 11 oktober 2006 werd gegeven door de voorlichting van de Raad van State van het Koninkrijk van 18 september 2006. De Raad gaf in overweging de drie eilanden een positie te verschaffen binnen het Nederlandse staatsbestel die rekening houdt met de bijzondere eisen die aan het bestuur worden gesteld, gezien de omstandigheden van de eilanden die op vele punten afwijken van het Europese deel van het Koninkrijk. De Raad was van mening dat de bijzondere positie van de drie eilanden verankerd kan worden in het Statuut, in welk geval een wijziging van de Grondwet niet strikt noodzakelijk is.[2] Via deze bepaling wordt uitvoering gegeven aan deze aanbeveling.

             De eerste volzin van het tweede lid legt de positie van de drie eilanden binnen het Nederlandse staatsbestel constitutioneel vast. De tweede volzin van het tweede lid beoogt te verzekeren dat bij de toepassing van de Grondwet en de overige regelgeving die op de eilanden zal gelden, voldoende rekening gehouden kan worden met de bijzondere omstandigheden waarin de eilanden zich bevinden. De tweede volzin van het tweede lid benoemt daarom een aantal factoren waarmee de eilanden zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van het Koninkrijk. Deze factoren nopen tot differentiatie in de toepasselijke regelgeving. Tevens nopen deze factoren tot het treffen van andere maatregelen die specifiek op de bijzondere omstandigheden van de eilanden zijn toegesneden. Indien beroep wordt gedaan op een van deze factoren zal steeds gemotiveerd worden waarom specifiek voor deze regeling of andere maatregel gekozen is en zal acht moeten worden geslagen op de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Aldus kan op een doelmatige en zorgvuldige wijze invulling worden gegeven aan de zorgplicht die de Nederlandse overheid op zich neemt ten aanzien van de drie eilanden.

             Nederland en de drie eilanden hebben afspraken gemaakt over de openbare voorzieningen in de nieuwe situatie in verband met de verantwoordelijkheid die Nederland op zich neemt.[3] Deze afspraken zijn nader vormgegeven in de besluitenlijst van het politiek overleg tussen Nederland en de eilanden dat op 31 januari 2008 plaatsvond.[4] Het uitgangspunt is dat normen worden opgesteld voor een binnen Nederland aanvaardbaar voorzieningenniveau op Bonaire, Sint Eustatius en Saba op met name de terreinen onderwijs, volksgezondheid, sociale zekerheid en veiligheid. Uitgangspunt is tevens dat voorkomen moet worden dat maatregelen onvoldoende rekening houden met de specifieke omstandigheden van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en daarom sociaal en economisch de samenleving ontwrichten. Gestreefd moet worden naar een economische ontwikkeling op de eilanden die een goede basis vormt voor een verdere toename van het voorzieningenniveau en met die ontwikkeling gepaard gaande werkgelegenheid. In het bestuurlijk overleg van 20 november 2008 tussen Nederland en de drie eilanden zijn deze uitgangspunten nader uitgewerkt in een aantal concrete afspraken en maatregelen.[5]

             De lijst van factoren is in het tweede lid niet uitputtend geformuleerd, aangezien de eilanden zich op vele punten onderscheiden van het Europese deel van het Koninkrijk en het niet goed mogelijk is om nu reeds te voorzien welke factoren aanleiding zullen geven tot het stellen van afwijkende regels of het treffen van andere maatregelen. Indien een regeling of een andere specifieke maatregel zijn grondslag vindt in een factor die niet met name genoemd is in het tweede lid, zal toegelicht worden waarom de bedoelde factor een wezenlijk onderscheid oplevert tussen de eilanden en het Europese deel van het Koninkrijk en waarom deze factor noopt tot het treffen van deze regeling of maatregel.

    Nederland en de drie eilanden zijn verder op 11 oktober 2006 overeengekomen dat in beginsel voorlopig de regelgeving gehandhaafd wordt die op de eilanden gold toen zij onderdeel waren van de Nederlandse Antillen. Hiermee wordt bereikt dat de drie eilanden niet direct na de statuswijziging geconfronteerd worden met een te grote verandering in het geldend recht. Geleidelijk zal deze regelgeving vervangen worden, met inachtneming van de factoren waardoor de eilanden zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van het Koninkrijk.

    Op het gebied van de rechtspleging en -handhaving is uit praktische overwegingen gekozen voor de handhaving van één Gemeenschappelijk Hof van Justitie voor het gehele Caribische deel van het Koninkrijk. In verband hiermee is tevens besloten dat de consensusrijkswetten op het terrein van het Openbaar Ministerie en de politie ook op Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelden. Voor de rechtsprekende taak van het Hof is het van belang dat in ieder geval op het gebied van het procesrecht eenvormigheid in de wetgeving in het Caribisch deel van het Koninkrijk gehandhaafd blijft.

     



    [1] Slotverklaring van de Miniconferentie over de toekomstige staatkundige positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 10 en 11 oktober 2006, Den Haag. Kamerstukken II 2006/07, 30 800 IV, nr. 5.

    [2] Voorlichting overeenkomstig artikel 18, tweede lid, van de Wet op de Raad van State inzake de hervorming van de staatkundige verhoudingen van de Antilliaanse eilanden binnen het Koninkrijk (bijlage bij de brief van de Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk van 18 september 2006), Kamerstukken II 2006/07, 30 800 IV, nr. 3.

    [3] Zie de Intentieverklaring die is gevoegd bij het Hoofdlijnenakkoord tussen de Nederlandse Antillen, Nederland, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 22 oktober 2005 (Kamerstukken II 2005/06, 30 300 IV, nr. 18) en de Slotverklaring van de Miniconferentie van over de toekomstige staatkundige positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 10 en 11 oktober 2006, Den Haag (Kamerstukken II 2006/07, 30 800 IV, nr. 5).

    [4] Bijlage bij Kamerstukken II 2007/08, 31200 IV, nr. 32.

    [5] Besluitenlijst van het bestuurlijk overleg van 20 november 2008...???

     




0.3625 // 35